In Nederland versmalt het debat inzake eurobonds tot een keuze tussen volledige schuldendeling of behoud van nationale soevereiniteit. Daarmee blijft het onderbelicht dat eurobonds in verschillende vormen kunnen worden ingezet voor uiteenlopende beleidsdoelstellingen.
Dit artikel verscheen eerder in ESB (Economisch Statistische Berichten), een Nederlands platform voor economisch onderzoek en debat.
In het kort
- Het poolen van nationale schulden creëert schaal en liquiditeit , maar kan ten koste gaan van begrotingsdiscipline.
- Leningen van een EU-instelling aan lidstaten bevorderen snelle financiering, maar leiden niet per se tot de beste investeringen.
- Het lenen én investeren via een EU-instelling zorgt voor betere allocatie en ook voor privaat kapitaal, maar is beperkt in schaal.
Het Nederlandse debat over gezamenlijke Europese leningen, oftewel eurobonds, wordt vaak neergezet als een principiële keuze tussen volledige schuldendeling en behoud van nationale soevereiniteit. De discussie is echter niet óf er gezamenlijke Europese financiering moet zijn, maar in welke vorm en onder welke voorwaarden.In het recente coalitieakkoord benadrukt het kabinet dat lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor hun eigen begroting en dat Nederland niet garant staat voor de nationale schulden van andere landen. Tegelijkertijd staat het kabinet onder voorwaarden wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals dat plaatsvindt via de Europese Investeringsbank (EIB), Macro-financiële bijstand, de Oekraïne-faciliteit, en gezamenlijke defensieprojecten (Coalitieakkoord, 2026).
Daarmee is de discussie niet óf er gezamenlijke Europese financiering moet zijn, maar in welke vorm en onder welke voorwaarden. De urgentie van deze discussie neemt toe door de huidige financiële en geopolitieke context waarin duidelijk wordt dat grote schokken en transities collectieve actie vereisen (Benink en Kramer, 2025; Knot, 2025). Gezamenlijke inspanningen op Europees niveau maken noodzakelijke strategische investeringen in defensie, energiezekerheid en innovatie mogelijk (Codogno et al., 2020b; Benink en De Hoop Scheffer, 2025).
Om deze discussie op gang te helpen, presenteren we in dit artikel een beoordelingskader voor eurobonds. Dit beoordelingskader is niet bedoeld om tot één voorkeur te komen voor een specifieke variant, maar om zichtbaar te maken dat verschillende beleidsdoelen vragen om een bepaalde vorm van gezamenlijke financiering. Hiermee hopen wij het debat te verschuiven van een principiële tegenstelling naar een strategische afweging van verschillende vormen van Eurobonds voor diverse beleidsdoelstellingen.
Economische uitdagingen Europese Unie
Om een debat over strategische doelen en beleidsinstrumenten te kunnen voeren, is het van belang om drie grote Europese economische uitdagingen te erkennen. Ten eerste de druk op de Europese concurrentiekracht. Draghi (2024) wijst op een structurele investeringsopgave van 750 tot 800 miljard euro per jaar. Dit bedrag moet via een combinatie van publiek en privaat kapitaal worden gefinancierd. Na de NAVO-top in 2025 kwam daar 320 miljard euro per jaar gerelateerd aan defensie bij (Bouabdallah et al., 2025). De investeringsbehoefte aan defensie moet vrijwel volledig publiek gefinancierd worden, omdat nationale veiligheid een publieke taak is. Dit betekent een nog grotere druk op de overheidsfinanciën en een toenemende noodzaak voor de mobilisatie van privaat kapitaal voor Europese transities.
Ten tweede is het van belang om vast te stellen dat de economische verwevenheid binnen de eurozone zó groot is, dat ernstige problemen in één lidstaat reële spill-overs kunnen veroorzaken. Dit hebben we gezien tijdens de banken- en eurocrisis van 2008–2012. Een dergelijke situatie kan zich opnieuw manifesteren. Bijvoorbeeld door spill-overs vanuit Frankrijk. Het land kampt met een hoge en slecht gestructureerde publieke schuld (Fontanel, 2025). Als er een kapitaalvlucht zou ontstaan, veroorzaakt dit een snelle stijging in rentespreads (Boonstra en Thomadakis, 2020). Deze stijging is door de monetaire unie ook een Europees probleem: stijgende rentes in één lidstaat zorgen voor directe spill-overs naar bankbalansen en beïnvloeden het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank.
De laatste economische uitdaging, of kans, is de verslechterende positie van de dollar. Het wantrouwen van beleggers in de Amerikaanse dollar neemt toe. Hierdoor ontstaat er momentum voor het positioneren van de euro als reservemunt (Wesseling, 2026; Withers en Cruise, 2025). Door de fragmentatie van de nationale obligatiemarkten blijft de internationale rol van de euro nu echter hangen op historisch lage niveaus (Boonstra en Thomadakis, 2020). Gezamenlijke Europese leningen kunnen bijdragen aan een diepe, liquide kapitaalmarkt en daarmee aan de creatie van een Europese safe asset die kan concurreren met de Amerikaanse dollar (Codogno en Van den Noord, 2019).
Definitie eurobond
Voor een zinvolle discussie over eurobonds is een goed begrip van de verschillende vormen van gemeenschappelijke leningen essentieel. Wij definiëren eurobonds als: gezamenlijk uitgegeven schuldpapier door een Europese instelling, waarvan de rente en terugbetaling gezamenlijk wordt gegarandeerd door EU-lidstaten dan wel landen behorende tot de eurozone. Binnen deze definitie onderscheiden we drie hoofdvormen.
Poolen van nationale schulden of tekorten
Het poolen van bestaande nationale schulden en/of nationale budgettaire tekorten kan onder voorwaarden bijdragen aan de creatie van een diepe en liquide Europese obligatiemarkt. Daarnaast kunnen landen met hogere tekorten relatief goedkoop kapitaal aantrekken.
Een veelgehoorde zorg bij het poolen van nationale schulden is moral hazard – het gevaar dat lidstaten minder moeite doen om hun overheidsfinanciën gezond te houden omdat het risico daarvan deels door anderen lidstaten wordt gedragen. Om dit gevaar te beperken, zijn verschillende conditionele mutualisatievormen denkbaar. Bijvoorbeeld de conditionele eurobond waarbij ieder land een risicopremie betaalt op basis van economische fundamenten (Muellbauer, 2013) of op basis van tekorten en schuld/bbp-ratio’s (Boonstra, 2012). Een andere voorgestelde oplossing is het blue/red bond-mechanisme (Delpla en Von Weizsäcker, 2010; Blanchard en Ubide 2025). Hierbij wordt de nationale schuld opgesplitst. Een percentage van het bbp wordt uitgegeven als veilige, gezamenlijke blue bonds, terwijl de schuld die er bovenuit komt, de red bonds, nationaal blijft met hogere risicopremies.
De ervaring met het Stabiliteits- en Groeipact laat echter zien dat zelfs strikte, vooraf gemaakte regels in tijden van crisis moeilijk afdwingbaar zijn (Esteves en Tunçer, 2016). Hierdoor blijven zorgen over het risico van moral hazard bestaan.
Europese instelling leent, lidstaten investeren
Een tweede optie is het uitgeven van leningen door een Europese instelling, waarbij de gelden doelgericht worden doorgeleend aan EU-lidstaten. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen blijft bij de nationale lidstaten.
Deze optie werd toegepast tijdens de coronacrisis. Via SURE en Next Generation EU (NGEU) werden grootschalige EU-bonds gebruikt om leningen en subsidies aan lidstaten te financieren (Langedijk et al., 2020). In 2020 werd een pakket van 750 miljard euro gefinancierd en via EU-bonds gedekt door de EU-begroting. Zo konden getroffen landen de structurele groeicapaciteit van de EU verhogen, was de gedachte. NGEU was een essentiële reactie op een asymmetrische schok binnen een muntunie zonder mogelijkheid tot nationale wisselkoersaanpassingen (Codogno en Van den Noord, 2020a).
Ook deze vorm ontvangt veel kritiek. De Europese Rekenkamer en andere waarnemers signaleren tekortkomingen in transparantie, resultaatsturing en accountability. Dit kwam in hoge mate door de combinatie van bottom-upprojecten en nationale uitvoering (Codogno en Van den Noord, 2019; Codogno et al., 2020b; Europese Rekenkamer, 2025). Het leidde tot beperkte het leidde slechts beperkt tot investeringen die anders niet al gedaan zouden worden, relatief veel geld dat op de plank bleef liggen en fragmentatie van projecten en fragmentatie van projecten.
Wat de uitgifte van de coronabonds wel liet zien, was een sterke marktvraag naar veilig gemeenschappelijk schuldpapier. De vraag oversteeg het aanbod met een factor van bijna 14. Dit onderstreept de potentie van eurobonds (Boonstra en Thomadakis, 2020). Toch beperkt het ad-hoc- en tijdelijke karakter de potentie van deze instrumenten als structurele stabilisatieoplossing (Codogno en Van den Noord, 2020a; Skyrman, 2025).
Europese instelling leent én investeert
De derde optie bouwt voort op een bestaande Europese structuur. In deze optie geeft een Europese instelling schuld uit, en wordt het geld expliciet geïnvesteerd in gemeenschappelijke Europese projecten. De geldstromen lopen dus niet via nationale begrotingen, maar worden door een Europese instelling, zoals bijvoorbeeld de Europese Investeringsbank (EIB) geselecteerd, beoordeeld en gemonitord. Selectie gebeurt via due diligence-processen die zich richten op terugbetaling. De EIB is al een van de grootste AAA-uitgevers van Europa, met 457 miljard euro aan uitstaande leningen eind 2024 (EIB, 2025a). De EIB beschikt bovendien over ruime reserves en risicobeheer, waardoor ze in innovatieve en strategische projecten kan investeren (Demertzis et al., 2024).
Financiering via de EIB blijft buiten het Meerjarig Financieel Kader van de EU-begroting, zodat de EU-begroting niet belast wordt. Lidstaten zouden aansprakelijk zijn naar rato van hun aandelenkapitaal (Boonstra en Thomadakis, 2020).
Een tweede voordeel van deze vorm is de geschiktheid voor mobilisatie van private middelen. De EIB financiert maximaal de helft van de projectkosten, en trekt met elke lening aanvullend privaat kapitaal aan: de EIB (2025b) laat zien dat zes maanden na de eerste loan signature van de EIB, de gemiddelde portfolio-allocatie van private investeringen aan het ontvangende land van 3,9 procent naar 5,1 procent steeg.
Deze vorm weerlegt ook een dominant narratief in het huidige debat: dat gezamenlijke leningen consumptieve uitgaven financieren. Een investeringsgeleide aanpak met heldere beleidsdoelen creëert ook een helder onderscheid tussen enerzijds productieve investeringen met Europese meerwaarde, en anderzijds generieke begrotingsruimte.
Beoordelingscriteria
Voor een strategische discussie over de financiering van een weerbare Europese economie moeten we de instrumenten tegen elkaar afwegen. Dit doen we aan de hand van vier beoordelingscriteria. De keuze voor deze vier criteria komt voort uit de analyse van zowel de economische uitdagingen van de Europese Unie als de voor- en nadelen die in het bestaande debat over eurobonds naar voren komen. Ten eerste leidt de combinatie van de Europese strategische investeringsopgaven (Bouabdallah et al., 2025; Draghi, 2025) en de kritiek op de besteding van middelen onder programma’s zoals NGEU (Europese Rekenkamer, 2025) tot het criterium van allocatiegerichtheid: de mate waarin gezamenlijke financiering doelmatig strategische Europese prioriteiten kan bereiken.
Ten tweede is de veel genoemde zorg over moral hazard (Esteves en Tunçer, 2016; Boonstra en Thomadakis, 2020) – met name bij het poolen van schulden – een reden om te beoordelen in hoeverre verschillende vormen dit risico versterken of juist beperken.
Ten derde wordt het potentieel om een Europese safe asset te creëren vaak genoemd als belangrijk voordeel van gezamenlijke schulduitgifte (Codogno en Van den Noord, 2019) – zeker in het licht van een mogelijk veranderende internationale rol van de dollar – maar verschilt deze potentie sterk per variant (Withers en Cruise, 2025).
Als laatste volgt uit de omvang van de Europese investeringsbehoefte dat publieke middelen alleen onvoldoende zijn (Bouabdallah et al., 2025; Dahlqvist en Riis Andersen, 2025), waardoor de mate waarin een instrument privaat kapitaal kan mobiliseren een belangrijk criterium vormt. Samen definiëren deze criteria de relevante verschillen tussen de drie vormen van eurobonds.
Beoordelingskader
In figuur 1 worden de drie eurobondvarianten langs de vier criteria gelegd. De figuur geeft een relatieve vergelijking: per criterium wordt zichtbaar welke variant in vergelijking tot de andere vormen meer of minder geschikt is. Hierdoor wordt duidelijk waar specifieke voordelen en risico’s daadwerkelijk liggen.

Het beoordelingskader in figuur 1 laat zien dat alleen het poolen van nationale schulden een diepe, liquide Europese obligatiemarkt kan creëren die kan concurreren met de dollar als reservemunt. Alleen deze optie levert genoeg schaal en uniformiteit op om als safe asset te functioneren. Tegelijkertijd laten Specker et al. (2026) zien dat dit safe-assetpotentieel alleen gerealiseerd kan worden in combinatie met Europese hervormingen. De verdieping van de spaar- en investeringsunie en het verminderen van kapitaalmarktfragmentatie zijn noodzakelijk om de investeerdersbasis van EU-obligaties te verbreden en liquiditeit te verdiepen. Ondanks de strategische waarde stuit deze optie in het huidige politieke debat op veel weerstand.
De tweede optie, waarin de Europese instelling leent maar de lidstaten zelf investeren, scoort gematigd over de criteria. Voor macro-stabilisatie en snelle crisiscapaciteit levert deze optie een voordeel. Eerdere vormen zoals SURE, NGEU, en de Oekraïne-faciliteit, laten zien dat de EU in crisisomstandigheden snel en goedkoop kapitaal kan mobiliseren. Voor strategische investeringsbehoeften zoals defensie, energie en innovatie, is dit instrument echter minder geschikt. De nationale uitvoering kan leiden tot uiteenlopende prioriteiten, slechte absorptie en onvoldoende bijdrage aan een sterkere concurrentiepositie van de EU. Daarnaast is de hefboom op privaat kapitaal beperkt, omdat projectselectie gefragmenteerd blijft. Deze optie blijft dus in veel opzichten gemiddeld, nuttig in crisissituaties, maar op geen enkel vlak optimaal.
De derde vorm betreft leningen die worden uitgegeven via een Europese instelling zoals de EIB, die zowel leent als investeert. Deze vorm is het meest geschikt voor het bevorderen van investeringen in Europese publieke goederen, zoals bijvoorbeeld energienetwerken, innovatie en digitalisering. Deze Europese projectaanpak mitigeert de problemen van NGEU die ontstonden door de nationale verdeling van de opgehaalde middelen. De focus ligt expliciet op projecten met aantoonbare Europese meerwaarde. De optie scoort hoog op allocatiegerichtheid en privaat-kapitaalmobilisatie. Het safe-assetpotentieel van deze optie is echter lager, vanwege de schaal die bereikt kan worden. De AAA-status van de EIB kan wel zorgen voor een betrouwbare basis, die in de toekomst kan groeien in schaal. De combinatie van politieke uitvoerbaarheid en strategische doelgerichtheid maakt deze vorm in het huidige politieke speelveld waarschijnlijk het meest haalbaar.
Conclusie
Wanneer we kijken naar de huidige economische realiteit van de eurozone, zien we enorme investeringsbehoeften, onderlinge financiële verwevenheid, en het ontbreken van een Europese safe asset. Gezamenlijke financiering kan een rol spelen in het aangaan van deze uitdagingen.
De eurobond is geen monolithisch concept, maar een spectrum van instrumenten die uiteenlopen in doelen en risico’s. Inmiddels zijn er verschillende soorten eurobonds uitgegeven en is het tijd voor een gedegen afweging van de opties. De vorm hangt af van het doel. Het poolen van bestaande schulden en/of nieuwe budgettaire tekorten biedt het grootste safe-assetpotentieel. Ad-hoc-leningen via een EU-instelling, waarbij landen zelf investeren, leveren snelle stabiliteit in crisissituaties, maar zijn te gefragmenteerd voor structurele Europese investeringen op de lange termijn. Een veelbelovende middenweg is een model waarin een Europese instelling zowel leent als investeert. Deze vorm combineert strategische uitvoerbaarheid met allocatiegerichtheid op Europese publieke goederen.
Het coalitieakkoord laat ruimte voor het afwegen van verschillende vormen en voorwaarden (Coalitieakkoord, 2026). Daarmee is nu de tijd om het debat over eurobonds niet meer ideologisch, maar strategisch te voeren, gericht op het realiseren van een weerbare Europese economie.